Haaksnavel: korte, kromme snavel om een prooi in stukken te scheuren.
Priemsnavel: snavel om diertjes uit een zachte bodem te prikken.
Pincetsnavel: kleine, spitse snavel bij zangvogels om insecten te vangen.
Kegelsnavel: korte snavel bij zangvogels om zaden te kraken.
Zeefsnavel: snavel om kleine plantjes en diertjes uit het water te zeven.
Zoolgangers: dieren die op hun hele voet lopen.
Teengangers: dieren die op hun tenen lopen.
Topgangers: dieren die op de toppen van hun tenen lopen.
Aanpassingen bij planten
Planten hebben aanpassingen aan hun milieu.
Planten kunnen aanpassingen hebben aan een vochtig milieu:
dunne bladeren
bladeren bedekt met een dun waslaagje
een klein wortelstelsel
Planten kunnen aanpassingen hebben aan een droog milieu:
kleine, dikke bladeren of cactussen stekels
soms wateropslag in een stengel, bijvoorbeeld bij cactussen
bladeren bedekt met een dik waslaagje
stevige bladeren en stengel
een groot wortelstelsel
Aanpassing aan licht
Planten hebben aanpassingen aan de hoeveelheid licht.
Zonplanten groeien het best bij veel licht, bijvoorbeeld in een weiland.
Schaduwplanten groeien het best bij weinig licht, bijvoorbeeld op de bodem van een bos.
Voorjaarsbloeiers zijn voorbeelden van schaduwplanten.
Klimplanten hebben hechtranken of ranken. Hiermee kunnen ze langs andere planten omhoog klimmen.
Exoten
Inheemse soorten zijn de soorten die van nature in een gebied voorkomen.
Uitheemse soorten zijn soorten die niet van nature in een gebied voorkomen.
Uitheemse soorten kunnen per ongeluk in een ander gebied terechtkomen.
Als de leefomgeving gunstig is, zal de populatie van de uitheemse soorten snel groeien.
Uitheemse soorten kunnen een bedreiging vormen voor inheemse soorten.
Exoten zijn uitheemse soorten die door de mens in een gebied terecht zijn gekomen.
Dit kan per ongeluk of expres gebeuren.
Organismen en hun leefomgeving
In de ecologie bestuderen biologen alle relaties tussen organismen en hun leefomgeving.
Biotische factoren: de invloeden van organismen op een ander organisme. Bijvoorbeeld: nestgelegenheid, roofdieren, soortgenoten, voedsel en ziekteverwekkers.
Abiotische factoren: invloeden die niet van organismen komen. Bijvoorbeeld: zonlicht, wind, neerslag, temperatuur en bodemsoort.
Eén enkel organisme noem je een individu.
Een populatie is een groep individuen van dezelfde soort in een bepaald gebied, die zich met elkaar kunnen voortplanten.
Een ecosysteem zijn alle populaties en alle abiotische factoren in een gebied.
De biotische en de abiotische factoren beïnvloeden elkaar.
Eten en gegeten worden
Organismen kun je verdelen in drie groepen: producenten, consumenten en reducenten.
Producenten: planten; producenten maken hun eigen eten door fotosynthese.
Consumenten: dieren; dieren krijgen energierijke stoffen binnen via hun voedsel.
Dieren gebruiken energierijke stoffen voor verbranding en voor de opbouw van hun lichaam.
Reducenten: schimmels en bacteriën; zij breken dode resten van planten en dieren af.
Door reducenten ontstaan weer voedingsstoffen voor planten.
Een voedselketen is een reeks soorten, waarbij elke soort het voedsel is voor de volgende soort.
Een plant is de eerste schakel.
Dieren zijn de volgende schakels.
In een voedselketen staan pijlen tussen de organismen. Een pijl betekent: wordt gegeten door.
Planteneters eten planten. Planteneters zijn de tweede schakel in een voedselketen.
Vleeseters eten andere dieren. De derde en verdere schakels in een voedselketen kunnen vleeseters zijn.
Alleseters zijn dieren die zowel planten als dieren eten. De tweede en verdere schakels in een voedselketen kunnen alleseters zijn.
Fotosynthese en verbranding
Bij fotosynthese worden energierijke stoffen gevormd uit energiearme stoffen.
Planten doen aan fotosynthese:
koolstofdioxide + water + lichtenergie → glucose + zuurstof
Water, koolstofdioxide en (zon)licht zijn hiervoor nodig. Deze stoffen zijn energiearm.
Zuurstof en glucose worden gevormd. Zuurstof is energiearm, glucose is energierijk.
Energierijke stoffen gebruikt een organisme voor groei en ontwikkeling.
Fotosynthese vindt plaats in de bladgroenkorrels.
Bij verbranding komt uit energierijke stoffen energie vrij.
Elk organisme doet aan verbranding:
glucose + zuurstof → koolstofdioxide + water + energie
Zuurstof en glucose zijn hiervoor nodig.
Water, koolstofdioxide en energie worden gemaakt.
De energie die vrijkomt, wordt gebruikt voor groei en ontwikkeling.
Stofwisseling zijn alle processen in een organisme waarbij stoffen worden omgezet in andere stoffen.
Energiearme stof: stof die weinig energie bevat, zoals koolstofdioxide, water en zuurstof.
Energierijke stof: stof die veel energie bevat, zoals glucose.
We gebruiken cookies om ervoor te zorgen dat onze site zo soepel mogelijk draait. Als je doorgaat met het gebruiken van deze site, gaan we ervan uit dat je ermee instemt.
Leave a Comment