Kasper

Bio-1

Biologie Oefentoetsen - VMBO Basis

Biologie – Samenvatting + 2 Oefentoetsen

Stof uit de foto's

VMBO Basis niveau – zo benoemd als in het boek

Begrippen bij vogels en lopen

  • Haaksnavel: korte, kromme snavel om een prooi in stukken te scheuren.
  • Priemsnavel: snavel om diertjes uit een zachte bodem te prikken.
  • Pincetsnavel: kleine, spitse snavel bij zangvogels om insecten te vangen.
  • Kegelsnavel: korte snavel bij zangvogels om zaden te kraken.
  • Zeefsnavel: snavel om kleine plantjes en diertjes uit het water te zeven.
  • Zoolgangers: dieren die op hun hele voet lopen.
  • Teengangers: dieren die op hun tenen lopen.
  • Topgangers: dieren die op de toppen van hun tenen lopen.

Aanpassingen bij planten

  • Planten hebben aanpassingen aan hun milieu.
  • Planten kunnen aanpassingen hebben aan een vochtig milieu:
  • dunne bladeren
  • bladeren bedekt met een dun waslaagje
  • een klein wortelstelsel
  • Planten kunnen aanpassingen hebben aan een droog milieu:
  • kleine, dikke bladeren of cactussen stekels
  • soms wateropslag in een stengel, bijvoorbeeld bij cactussen
  • bladeren bedekt met een dik waslaagje
  • stevige bladeren en stengel
  • een groot wortelstelsel

Aanpassing aan licht

  • Planten hebben aanpassingen aan de hoeveelheid licht.
  • Zonplanten groeien het best bij veel licht, bijvoorbeeld in een weiland.
  • Schaduwplanten groeien het best bij weinig licht, bijvoorbeeld op de bodem van een bos.
  • Voorjaarsbloeiers zijn voorbeelden van schaduwplanten.
  • Klimplanten hebben hechtranken of ranken. Hiermee kunnen ze langs andere planten omhoog klimmen.

Exoten

  • Inheemse soorten zijn de soorten die van nature in een gebied voorkomen.
  • Uitheemse soorten zijn soorten die niet van nature in een gebied voorkomen.
  • Uitheemse soorten kunnen per ongeluk in een ander gebied terechtkomen.
  • Als de leefomgeving gunstig is, zal de populatie van de uitheemse soorten snel groeien.
  • Uitheemse soorten kunnen een bedreiging vormen voor inheemse soorten.
  • Exoten zijn uitheemse soorten die door de mens in een gebied terecht zijn gekomen.
  • Dit kan per ongeluk of expres gebeuren.

Organismen en hun leefomgeving

  • In de ecologie bestuderen biologen alle relaties tussen organismen en hun leefomgeving.
  • Biotische factoren: de invloeden van organismen op een ander organisme. Bijvoorbeeld: nestgelegenheid, roofdieren, soortgenoten, voedsel en ziekteverwekkers.
  • Abiotische factoren: invloeden die niet van organismen komen. Bijvoorbeeld: zonlicht, wind, neerslag, temperatuur en bodemsoort.
  • Eén enkel organisme noem je een individu.
  • Een populatie is een groep individuen van dezelfde soort in een bepaald gebied, die zich met elkaar kunnen voortplanten.
  • Een ecosysteem zijn alle populaties en alle abiotische factoren in een gebied.
  • De biotische en de abiotische factoren beïnvloeden elkaar.

Eten en gegeten worden

  • Organismen kun je verdelen in drie groepen: producenten, consumenten en reducenten.
  • Producenten: planten; producenten maken hun eigen eten door fotosynthese.
  • Consumenten: dieren; dieren krijgen energierijke stoffen binnen via hun voedsel.
  • Dieren gebruiken energierijke stoffen voor verbranding en voor de opbouw van hun lichaam.
  • Reducenten: schimmels en bacteriën; zij breken dode resten van planten en dieren af.
  • Door reducenten ontstaan weer voedingsstoffen voor planten.
  • Een voedselketen is een reeks soorten, waarbij elke soort het voedsel is voor de volgende soort.
  • Een plant is de eerste schakel.
  • Dieren zijn de volgende schakels.
  • In een voedselketen staan pijlen tussen de organismen. Een pijl betekent: wordt gegeten door.
  • Planteneters eten planten. Planteneters zijn de tweede schakel in een voedselketen.
  • Vleeseters eten andere dieren. De derde en verdere schakels in een voedselketen kunnen vleeseters zijn.
  • Alleseters zijn dieren die zowel planten als dieren eten. De tweede en verdere schakels in een voedselketen kunnen alleseters zijn.

Fotosynthese en verbranding

  • Bij fotosynthese worden energierijke stoffen gevormd uit energiearme stoffen.
  • Planten doen aan fotosynthese:
  • koolstofdioxide + water + lichtenergie → glucose + zuurstof
  • Water, koolstofdioxide en (zon)licht zijn hiervoor nodig. Deze stoffen zijn energiearm.
  • Zuurstof en glucose worden gevormd. Zuurstof is energiearm, glucose is energierijk.
  • Energierijke stoffen gebruikt een organisme voor groei en ontwikkeling.
  • Fotosynthese vindt plaats in de bladgroenkorrels.
  • Bij verbranding komt uit energierijke stoffen energie vrij.
  • Elk organisme doet aan verbranding:
  • glucose + zuurstof → koolstofdioxide + water + energie
  • Zuurstof en glucose zijn hiervoor nodig.
  • Water, koolstofdioxide en energie worden gemaakt.
  • De energie die vrijkomt, wordt gebruikt voor groei en ontwikkeling.
  • Stofwisseling zijn alle processen in een organisme waarbij stoffen worden omgezet in andere stoffen.
  • Energiearme stof: stof die weinig energie bevat, zoals koolstofdioxide, water en zuurstof.
  • Energierijke stof: stof die veel energie bevat, zoals glucose.

Oefentoets 1 – Begrippen en onthouden


Oefentoets 2 – Toepassen

Leave a Comment

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

10 + veertien =